3 fases van Cheney

Volgens Amerikaanse ME/CVS specialist Dr. Cheney kan het ziekteverloop van de vermoeidheidsziekte ME/CVS in drie fases worden ingedeeld.

1 De infectiefase, waarbij het immuunsysteem subtiel veranderd wordt;
2 De vergiftigingsfase waarin gifstoffen zich in het lichaam ophopen;
3 De fase waarin gifstofconcentraties in het lichaam zo hoog zijn geworden dat de dieper gelegen hersendelen zoals de hypothalamus beschadigd worden.

Fase 1:

De patiënt wordt getroffen door een intracellulaire infectie waardoor het immuunsysteem wordt geactiveerd. Door deze infectie wordt de werking van het immuunsysteem subtiel veranderd. Het RNase-L virale systeem vormt de eerste verdediging tegen intracellulaire infecties. Het blokkeert de replicatie van virussen maar verstoort daarnaast de eiwit productie in het gehele lichaam. Gelukkig blijft het RNase-L enzym bij gezonde mensen maar heel kort actief. Bij CVS/ME patiënten ligt dat anders. Door een stoornis bij CVS/ME patiënten is het RNase-L enzym vele malen actiever dan normaal en blijft bovendien ook veel langer werkzaam dan normaal. Hierdoor wordt de ontgiftingscapaciteit van de lever ernstig verstoord.

Fase 2: De lever is niet meer in staat om de toxines (gifstoffen) die van buiten afkomstig zijn, maar ook door het lichaam zelf gemaakt (vooral in de darmen) worden, te verwijderen. Hierdoor blijven er steeds meer toxines in het lichaam achter. De leverontgiftingscapaciteit gaat hierdoor nog verder achteruit. Maar ook op cellulairniveau gaat er van alles mis. De werking van de mitochondria (energie centrales binnen de cel) wordt verstoord waardoor er minder ATP (bio-energie) wordt geproduceerd. Ernstige vermoeidheid is het gevolg.

Fase 3: Er zijn zoveel gifstoffen in het lichaam achter gebleven dat de dieper gelegen delen van de hersenen, waaronder de hypothalamus, worden beschadigd. Dit heeft een domino effect op het verloop van de ziekte: er ontstaan klachten vanuit het centrale zenuwstelsel, het hormonale systeem en de stofwisseling. Het lichaam kan hierdoor niet meer goed reageren op lichamelijke of geestelijke stress, er ontstaan problemen met de bloeddruk, en de regulering van het glucoseniveau en de vochthuishouding.

Het doorlopen van deze drie fasen duurt in het algemeen vele jaren. De patiënt is gedurende die tijd vaak ernstig ziek. Zo ziek zelfs dat het lichaam denkt dat het te maken heeft met een catastrofe op wereldschaal (komeetinslag, klimaatverandering, etc.). Hierdoor wordt het evolutieproces in het lichaam van de patiënt versneld. Het lichaam probeert wanhopig te veranderen waardoor het beter kan functioneren onder de “nieuwe omstandigheden”. Een aantal genen worden daarvoor opnieuw gerangschikt, dat gebeurt naar willekeur. Voor sommige patiënten worden de (genen) kaarten goed geschud, zij knappen op, anderen hebben minder geluk zij worden nog zieker.

Fase 1: de infectiefase

Virale of bacteriële fase

Volgens Dr. Cheney openbaart de vermoeidheidsziekte CVS/ME zich door een virale of intracellulaire (binnen de cel) bacteriële infectie. Door deze infectie produceert het lichaam een immuunrespons waarmee getracht wordt om het virus of de bacterie te vernietigen. De RNase-L antivirale verdediging vormt een onderdeel van deze immuunrespons. Het RNase-L enzym wordt geactiveerd bij intracellulaire pathogenen (ziekmakers) zoals het Epstein-Barr Virus (EBV), Cytomegalovirus (CMV) en het Human Herpes Virus 6 (HHV-6). Maar ook door intracellulaire bacteriële infecties zoals: Mycoplasma incognitus en Chlamymdia pneumoniae.

De RNase-L antivirale verdediging

Het RNase-L enzym voorkomt dat virussen zich kunnen dupliceren door het virale RNA te vernietigen, maar RNase-L is niet in staat om cellen die reeds zijn geïnfecteerd op te ruimen. Dit wordt gedaan door andere delen van het immuunsysteem. Helaas kent het RNase-L enzym niet het onderscheid tussen het virale en het menselijke RNA waardoor RNase-L in zijn geactiveerde vorm ook menselijke RNA vernietigd. Hierdoor wordt de productie van eiwitten verstoord. Dit heeft nadelige gevolgen voor elk proces in het lichaam en met name voor de processen in de lever. De lever is namelijk het orgaan dat de meeste eiwitten maakt. Vooral leverenzymen, noodzakelijk voor ontgifting, hebben hierdoor veel te lijden. Hierdoor wordt de leverfunctie ernstig verstoord. De lever zit functioneel (qua werking) tussen de darmen en de bloedsomloop in. De lever moet voorkomen dat gifstoffen die we via de voeding binnen krijgen, maar ook gifstoffen die in de darmen worden geproduceerd, geneutraliseerd en afgevoerd worden. Bovendien zet de lever bouwstoffen die we via de voeding binnen krijgen om in een (actieve) vorm die door het lichaam gebruikt kan worden. Bij gezonde mensen, die geen CVS/ME hebben, blijft het RNase-L enzym gelukkig maar korte tijd actief. Bij CVS/ME patiënten ligt dat anders.

RNase-L enzym bij CVS/ME patiënten vaak verstoord

Door verschillende stoornissen in het immuunsysteem is bij CVS/ME patiënten het RNase-L enzym super actief en blijft het bovendien veel te lang geactiveerd. Bij CVS/ME patiënten wordt er in het begin van de ziekte vaak een RNase-L enzym aangetroffen van maar 37kDalton in plaats van de normale 80KDalton. Dit lichtgewicht RNase-L enzym is vele malen actiever dan het normale enzym. De verstoring van de eiwit produktie door RNase-L in het lichaam is een van de voornaamste redenen waarom we ons ziek voelen als we de griep hebben. Laboratorium onderzoek wijst uit dat het lichtgewicht RNase-L enzym, dat bij veel CVS/ME patiënten wordt aangetroffen, de eiwit productie 60x sterker verstoort dan normaal. Kunt u zich nu voorstellen hoe ziek CVS/ME patiënten zich soms voelen!! RNase-L vormt bij virussen een eerste verdedigingslinie; er wordt voor gezorgd dat virussen niet kunnen repliceren tot dat het T-helper1 (TH1) systeem in zijn geheel is geactiveerd. TH1 is gespecialiseerd in het vernietigen van intracellulaire virussen. Bij CVS/ME patiënten is de differentiatie van T-Helper (TH) naar TH1 en TH2 vaak verstoord. Er worden te weinig TH1 cellen gemaakt. Hierdoor kan een virale belasting langer blijven bestaan en blijft het antivirale RNase-L systeem dan ook langer actief.

Klachten die horen bij Fase I

Aan het begin van fase I ondervindt de patiënt vaak klachten zoals: zere keel, temperatuurverhoging, opgezette lymfe klieren en vermoeidheid. De griep verschijnselen die bij fase I horen worden, volgens Cheney, voornamelijk veroorzaakt door het RNase-L enzym. Maar op het moment dat de koorts begint te zakken en de klachten door de infectie verminderen ontstaan er ernstige vermoeidheidsverschijnselen waarbij ook vaak spier- en gewrichtspijn optreedt.

Dit fenomeen wordt ook gezien bij kinderen die lijden aan het Reye’s Syndroom. Deze kinderen krijgen een infectie, en net als ze beter beginnen te worden functioneert de lever niet meer waardoor zij aan een vergiftiging overlijden.. Sommige wetenschappers zien CVS/ME dan ook als een milde vorm van Reye’s. Cheney gaat er van uit dat leverontgiftingsstoornissen en de daarbij horende vergiftigingsverschijnselen verantwoordelijk zijn voor het verergeren van de klachten.

Fase 2: de vergiftigingsfase

Klachten die horen bij fase 2

Als de patiënt over gaat van de infectie naar de vergiftigingsfase is er van een virale of bacteriële infectie vaak niets meer te vinden. Wel is het zo dat het immuunsysteem subtiel veranderd is waardoor intracellulaire infecties meer kans hebben het lichaam te infecteren. In deze fase neemt het aantal lichtgewicht RNase-L enzymen af en daalt ook de activiteit van dit antivirale systeem. De vermoeidheidsklachten blijven echter bestaan en worden vaak nog erger. De typische klachten die bij de vergiftigingsfase horen zijn: (1) vermoeidheid, of beter gezegd: uitputting, (2) niet helder kunnen denken (Brain Fog) en (3) gewrichts- en spierpijnen. De lichte temperatuursverhoging die tijdens fase I optreedt, is in fase II in bijna alle gevallen verdwenen.

Fase II kent twee soorten inspanningsklachten: een vermoeidheid waardoor dagelijkse klusjes zoals stofzuigen gewoon niet meer kunnen worden uitgevoerd, maar er zijn ook onzichtbare grenzen bij een lichamelijke inspanning, Gaat de patiënt over die inspanningsgrens heen dan nemen de klachten, soms pas na 1 – 2 dagen, enorm toe. De patiënt wordt hierdoor in fase 2 steeds verder in zijn functioneren beperkt, te moe, te veel pijn, en kan niet meer goed nadenken. Slechts ongeveer 5% van de patiënten heeft in fase 2 geen pijnklachten. Daar waar mogelijk wordt, in de hier volgende paragraven, de mogelijke oorzaken behandeld van de klachten die CVS/ME patiënten tijdens fase 2 ondervinden.

Brain Fog: een specifieke klacht van Fase 2

Onderzoek geeft aan dat 99% van alle CVS/ME patiënten op een gegeven moment in het verloop van hun ziekte te maken krijgen met stoornissen die zij omschrijven als Brain Fog, niet helder kunnen denken. Volgens Cheney is het niet meer helder kunnen denken een typische fase 2 klacht, deze komt, volgens Cheney, in fase I bijna niet voor.

Als deze patiënten verder onderzocht worden blijken de meeste patiënten te maken te hebben met: (1) trager nadenken, (2) vermindert korte termijn geheugen, (3) moeite bij het zoeken naar woorden en (4) problemen meerdere taken tegelijk te doen.

De dieper gelegen hersendelen (subcortex) zijn verantwoordelijk voor het goed uitvoeren van bovenstaande functies. Dit gedeelte van de hersenen regelt onder meer ook de hartslag, de bloeddruk en andere basale lichaamsfuncties. Cheney vermoedt dat de dieper gelegen subcortex bij CVS/ME patiënten beschadigd raakt door de toxines die zich, vanwege ontgiftingsproblemen, in het lichaam ophopen. De hersenbloed barrière (BBB) zou eigenlijk in staat moeten zijn deze toxines tegen te houden, maar kennelijk werkt dit systeem niet voldoende. Sommigen, zoals Drs Pruimboom, denken dat de BBB door een langdurige periode van infecties meer doorlaatbaar geworden is waardoor gifstoffen een grotere kans krijgen de hersenen binnen te dringen.

Het ontstaan en de progressie van ontgiftingsstoornissen bij CVS/ME

De lever en de darmen (maar ook de nieren, de longen en de huid) zijn de belangrijkste ontgiftingsorganen in het lichaam. De lever heeft de grootste capaciteit. Het ontgiftingsproces van de lever verloopt in twee fasen. In fase 1 (biotransformatie) worden gifstoffen afgebroken of veranderd,. In fase 2 (conjugatie) worden gifstoffen of de door fase 1 veranderde gifstoffen oplosbaar gemaakt waardoor ze door de nieren of via de gal uitgescheiden kunnen worden.

De stoffen die door fase 1 als tussenvorm worden gemaakt zijn vele malen giftiger dan de originele gifstoffen die uit het lichaam verwijderd werden. Als fase 1 te snel werkt, wat kan gebeuren bij een patiënt die veel bloot staat aan gifstoffen, en fase 2 normaal of te traag verloopt, dan blijven deze super toxines in het lichaam achter waar zij ernstige schade toebrengen.

Het super actieve RNase-L enzym vernietigt, zoals reeds is uitgelegd, viraal maar ook menselijk RNA. Hierdoor worden alle processen in het lichaam verstoord, maar vooral de proces waarbij veel eiwitten worden gemaakt. De ontgiftingsfunctie van de lever wordt hierdoor zwaar getroffen omdat deze functie voor een groot deel afhankelijk is van enzymen, en enzymen zijn eiwitten. Doordat de lever zijn ontgiftingsfunctie niet meer goed uitvoert bouwen gifstoffen zich op. Door deze opbouw van gifstoffen werken de belangrijke lever enzymen nog slechter en gaat hierdoor de ontgiftingscapaciteit nog verder achteruit. Een reguliere leverenzymenonderzoek die door de huisarts kan worden uitgevoerd zegt niets over de ontgiftingscapaciteit. De reguliere levertest geeft alleen aan of er leverenzymen in het bloed terecht zijn gekomen doordat levercellen dood zijn gegaan door bijvoorbeeld overmatig alcohol gebruik. Het zegt niets over functioneren van het ontgiftingssysteem. Daarom kan de reguliere levertest binnen de normale waarden liggen terwijl de ontgiftingscapaciteit van uw lever al 20% is gedaald.

Voor onderzoek naar de ontgiftingscapaciteit van de lever is een leverfunctietest noodzakelijk waarbij de patiënt volgens een bepaald protocol enkele gifstoffen slikt (aspirine, cafeïne, etc) waarna onderzocht wordt hoe snel de lever in staat is deze gifstoffen uit het lichaam te verwijderen. De leverfunctietest geeft inzicht hoe fase 1 en 2 van de lever functioneren. Met deze gegevens kan een arts of therapeut een behandelingsadvies op maat maken.

Slecht zuurstof transport bij CVS/ME, een oorzaak van vermoeidheid

In fase 2 ontstaan ook een groot aantal stoornissen die te maken hebben met het metabolisme (stofwisseling). Een van deze stoornissen is een verminderd zuurstof transport van de rode bloedlichaampjes (hemoglobine) naar het weefsel (dus ook de spieren). Deze stoornis kan eenvoudig worden aangetoond door een CVS/ME patiënt te laten uitademen en dan zijn adem zo lang mogelijk in te houden. In 70% van de CVS/ME gevallen houdt hij dat veel korter vol dan gezonde mensen, die geen CVS/ME hebben. Als er via een pulsoximeter via bijvoorbeeld de vinger het zuurstofgehalte in het bloed wordt gemeten dan ziet men bij CVS/ME patiënten tijdens het inhouden van de adem een fenomeen dat we helemaal niet zouden verwachten: het zuurstofgehalte in het bloed daalt niet, hetgeen we wel zouden verwachten. Er is dus kennelijk wel zuurstof genoeg in het bloed, alleen wordt het niet naar het weefsel getransporteerd. Het verstoorde zuurstof transport naar cellulair weefsel kan de volgende oorzaken hebben.

  • het hoge niveau aan gifstoffen waarvan een groot gedeelte bestaat uit vrije radicalen, heeft in deze fase het functioneren van de cellen dermate verstoord dat er een verzuring (acidose) binnen de cel optreedt Het lichaam neutraliseert deze verzuring door het bloed meer basisch (alkalosis) te maken. Dit laatste vermindert de capaciteit van het bloed om zuurstof te transporteren.
  • door een mitochondriale (energie centrales binnen de cel) disfunctie (verstoring in de werking) wordt er minder ATP (bio-energie) gemaakt. Hierdoor zakt, volgens de Gibbs formule, het niveau van gluththion in de cel. Door deze gluthathion verlaging wordt het citraatniveau binnen de cel verhoogd. Citraat blokkeert de werking van 2.3 diphoglyceraat (2,3 DPG). 2,3 DPG wordt door hemoglobine gebruikt om zuurstof te kunnen afstaan aan cellen. Als de werking van 2,3 DPG door een te hoog citraatgehalte wordt geblokkeerd, wordt het zuurstof transport naar het weefsel ernstig verstoord.

Er ontstaan een scala aan klachten als zuurstof niet goed naar het weefsel getransporteerd wordt: (1) vermoeidheid, (2) spierpijn, (3) groei stimulering anaërobe (zonder zuurstof werkende) pathogene organismen, zoals schimmels, Mycoplasma, Chlamydia pn. Precies de infecties die bij CVS/ME patiënten vaak voorkomen.

Het lichaam probeert het citraatniveau in de cellen omlaag te brengen door het via de nieren af te voeren. Bij patiënten met deze stoornis is dan ook een verhoogd citraatniveau in de urine meetbaar. Helaas werkt dit “reddingsproces” niet helemaal vlekkeloos omdat citraat in staat is om magnesium aan zich te binden die hierdoor ook via de nieren en de urine wordt uitgescheiden. Een ernstige magnesium deficiëntie (tekort) is het gevolg. Een magnesium deficiëntie heeft gevolgen voor ons vaatstelsel, vooral voor de microcapilairen (haarvaten). Een magnesium deficiëntie vermindert de bloeddoorstroming op dit niveau. Hierdoor ontstaat er opnieuw een zuurstof tekort, o.a. in spierweefsel. Vindt u het gek dat CVS/ME patiënten soms ernstig vermoeid zijn? Ik niet!!

Het lichaam probeert het bloed minder basisch te maken door het bloedvolume te verminderen (contractie alkalosis). Dit heeft tot gevolg dat een aantal CVS/ME patiënten een te lage bloeddruk krijgen. Behandeling met Florinef (fludrocortisonacetaat) om het bloedvolume te vergroten heeft bij deze patiënten geen zin. Het lichaam zal de werking van Florinef tegen gaan door het volume laag te houden vanwege het zuur / base probleem. 

Fase 3: de beschadigingsfase

Dynamische response  Hypothalamus verstoord

In fase 3 ontstaan er klachten doordat de subcortex door toxines wordt beschadigd. Vooral de hypothalamus heeft van het hoge niveau aan toxines te lijden omdat de hersen bloed barrière op deze plaats het meest doorlaatbaar is. Dat komt omdat de hypothalamus in staat moet zijn om op een aantal hormoonsignalen die in het lichaam worden afgegeven te kunnen reageren. Door beschadiging van de hypothalamus wordt vooral de  dynamische response van de hypothalamus bij CVS/ME patiënten verminderd. Hierdoor kan de hypothalamus de hormoonniveaus niet meer goed aan passen aan veranderende omstandigheden zoals bijvoorbeeld tijdens periodes van geestelijke en lichamelijk stress.

De hypothalamus regelt naast onze hormoonniveaus ook onze lichaamstemperatuur (via hypofyse en schildklier), de bloeddruk, de hartslag, de verbranding van vetten en koolhydraten en het bloedsuikerniveau. De hypothalamus werkt nauw samen met de pijnappelklier en de bijnieren (HPA stelsel). Verstoringen van het HPA stelsel veroorzaken de onzichtbare grenzen die CVS/ME patiënten ervaren. Het systeem is niet meer in staat d.m.v. de dynamische hormoon response adequate te reageren op een bepaalde mate van geestelijke of lichamelijke stress. Gaat een patiënt over die grens heen dan verergeren de klachten enorm.

Binnen het HPA stelsel produceert de pijnappelklier o.a. groeihormonen en het antidiuretisch hormoon (vocht vasthouden): vasopressine. De bijnieren produceren adrenaline en cortisol, belangrijke hormonen voor onze stress reactie.

Groeihormonen

Groeihormonen ( HGH) worden gedurende de slaap (fase IV, diepe slaap) door de pijnappelklier gemaakt en zijn maar heel kort in het bloed aanwezig. HGH wordt door de lever omgezet in Insulin Growth Factor 1 (IGF-1). IGF-1 blijft wel lang in het bloed aanwezig en is daarom wel meetbaar. De hoeveelheid gemeten IGF-1 is een goede indicator hoeveel HGH er geproduceerd is. Men denkt dat de afgifte van HGH tijdens de slaap voor de lever een signaal is om het ontgiftingsproces sneller te laten verlopen. Dat gebeurt rond 3 uur, ‘snachts.

HGH heeft een breed werkingsgebied. Het regelt ondermeer de eiwit productie en zorgt er voor dat deze productie aangepast wordt aan de behoefte (inspanning). HGH regelt ook het glucoseniveau in het bloed. Door een verstoorde HGH productie, wat bij CVS/ME patiënten vaak voorkomt, herstelt de patiënt niet na een inspanning en verloopt het genezingsproces na een trauma slecht. Bovendien wordt de lever niet meer in voldoende mate gestimuleerd waardoor de ontgifting nog slechter verloopt. En tenslotte wordt het glucoseniveau in het bloed zo slecht geregeld dat de patiënt regelmatig last krijgt van hypo’s (te lage suikerspiegel) waardoor hij geen enkele lichamelijke of geestelijke prestatie meer kan leveren.

Antidiureticum hormoon (vasopressine)

Het antidiureticum hormoon vasopressine zorgt er voor dat het lichaam vocht vast houdt. Als er door een beschadiging aan de subcortex te weinig vasopressine wordt gemaakt raakt het lichaam heel veel vocht kwijt door heel veel te plassen. De patiënt kan zo veel vocht kwijt raken dat het bloedvolume zelfs afneemt. Een lager dan normale vasopressine productie is een typische fase 3 stoornis. Kenmerken zijn: veel drinken maar steeds dorst, veel en vaak plassen, maar geen gewichtstoename door het vasthouden van vocht. Patiënten met deze klachten hebben waarschijnlijk ook Neurally Mediated Hypotension (NMH) of Orthostatic Hypotension. Twee vormen van lage bloeddruk.

Bij patiënten met NMH werkt de aansturing van het hart en het vaatstelsel door het centrale zenuwstelsel niet goed meer. Als de patiënt vanuit zittende houding gaat staan sturen de hersenen het hart de foutieve opdracht om langzamer te gaan kloppen en de bloeddruk te verlagen. Dat is fout, want het zou precies andersom moeten zijn. Door deze foutieve aansturing zakt de bloeddruk snel en wordt de patiënt duizelig en krijgt hij moeilijkheden met ademhalen. De diagnose NMH kan meestal gesteld worden aan de hand van de klachten van de patiënt of door middel van een Tilt Table Test.

Stress reactie bij CVS/ME patiënten ernstig verstoord

De bijnieren produceren het hormoon cortisol. Dit cortisol niveau is s’morgens hoger dan s’avonds. Als het lichaam niet meer op een stress situatie reageert door het afgeven van meer cortisol dan is het onmogelijk voor de patiënt om gedurende deze stress situatie te blijven functioneren. Een te lage cortisol productie noemt men een bijnier insufficiëntie (verminderde bijnierfunctie). Bij CVS/ME patiënten komt deze situatie vaak voor omdat de werking van het HPA stelsel verstoord wordt door een beschadiging van de subcortex.

CVS/ME patiënten kunnen klachten die veroorzaak worden door een bijnier insufficiëntie herkennen als zij absoluut niet meer in staat zijn stress in een of andere vorm te verwerken. Duidelijke voorbeelden zijn: de stress die wordt veroorzaakt door spreken in het openbaar, examen afleggen, maar ook: veel mensen om je heen, fel licht, hard geluid, TV beelden, een enge film. Patiënten met een bijnier insufficiëntie worden al ziek van een drukke verjaardag.

Herschikking van genen

Herschikking van genen vindt in het menselijk lichaam plaats als natuurlijk onderdeel van het evolutieproces. De mens is echter ook in staat dit proces te versnellen, zodat hij tijdens een catastrofe op wereldschaal kan overleven. Bijvoorbeeld bij een verandering in het klimaat of een inslag van een komeet, of een dodelijke ziekte die de hele aarde treft.

Het doel van deze herschikking is om te proberen een DNA code te produceren waarmee het lichaam beter in staat is om aan de veranderingen het hoofd te bieden. Deze herschikking van genen is alleen in bepaalde gebieden van onze DNA code mogelijk en gebeurt naar willekeur.

Urnowitz heeft in een onderzoek aangetoond dat deze herschikking van genen ook plaats vindt bij CVS/ME patiënten omdat het lichaam hier kennelijk denkt dat het door een catastrofe wordt geteisterd (komeetinslag, maar het is maar ME). Deze herschikking gebeurt willekeurig, je kan, net als bij roulette, winnen of verliezen. Voor sommige CVS/ME patiënten worden de (genen) kaarten goed geschud, bij hen verminderen de klachten, anderen hebben niet zo veel geluk. Bij deze patiënten kan de herschikking van genen er zelfs voor zorgen dat het lichaam op DNA niveau wordt geprogrammeerd om gifstoffen te maken, bij deze patiënten nemen de klachten toe.

De effecten die genen hebben op het menselijk lichaam hangen af van de omstandigheden waardoor ze zijn geactiveerd. In normale gevallen kan een gen maar beperkt aantal effecten in het lichaam veroorzaken. Urnowitz heeft echter ontdekt dat de variatie in effecten die wordt veroorzaakt door een gen bij CVS/ME patiënten veel groter is dan bij gezonde mensen het geval is. Urnowitz denkt ook dat sommige CVS/ME patiënten door het gebruik van antibioticum zoals doxycyline opknappen omdat dit soort antibioticum de grotere variatie in effecten, die genen bij deze patiënten veroorzaken, verminderen. Dit is een bijwerking van sommige antibiotica waar nog niet veel over bekend is. Veel artsen denken dat deze patiënten opknappen doordat de bacteriële infectie verslagen is. Waarschijnlijk is dat dus niet voor alle patiënten waar.